
Bondscoaches Gerben de Knegt en Angelo De Clercq op de drempel van het wereldkampioenschap
Vernieuwd parcours in Hulst kan voor verrassingen zorgen
Vijf vragen voor twee bondscoaches. Gerben de Knegt en Angelo De Clercq staan op het wereldkampioenschap veldrijden in Hulst aan het hoofd van respectievelijk de Nederlandse en de Belgische selectie. Hun uitgesproken mening over het parcours in de Vestingstad, over de medaillekansen van hun renners, over verrassende namen en wat een mogelijke olympische status voor het veldrijden zou kunnen betekenen.
Bondscoaches Gerben de Knegt en Angelo De Clercq over het WK Hulst 2026
Verandert de aanpassing van het parcours in Hulst de traditionele karakteristieken van de wedstrijd?
Gerben de Knegt: Dat sluit ik niet uit. Klimmen, dalen, bochtenwerk: de Vestingcross zoals die altijd geweest is kort samengevat. Als je vroeger in Hulst goed startte en je kwam die gekke schuine kant goed door, dan zat je bij wijze van spreken voor de helft van de wedstrijd op je gemak. Dat zou nu wel eens anders kunnen worden, met de introductie van die passage op de weidegrond waar de VIP-zone zich situeert. Ik herinner me dat we daar in het verleden met de KNWU onze tenten opsloegen. Vaak was dat stuk grond behoorlijk zompig. Als dat opnieuw het geval zou zijn, wordt dit een erg lastige strook. Vriest het daarentegen, dan zal dat weinig invloed hebben op het wedstrijdverloop. Maar het zou best wel eens kunnen dat dit toegevoegde stuk voor een meer ‘open’ wedstrijdverloop zal zorgen.
Angelo De Clercq: Ik ben eind vorig jaar naar Hulst geweest om het parcours te filmen. En ook mij viel vooral die passage door de weide op. Ligt het daar modderig, dan sluit ik niet uit dat dit een lange loopstrook wordt. Atypisch voor Hulst. Dit wordt alvast een passage die puur op de macht moet worden afgewerkt. Veel technisch vermogen komt daar niet bij kijken. Wat me nog opviel? Omdat de renners over een aantal pontons zullen passeren zijn er een stel haakse, korte bochten uit het parcours verdwenen. Ook dat is in het voordeel van renners die het van kracht moeten hebben.
Op hoeveel medailles rekenen jullie?
Gerben de Knegt: Daar spreek ik me vooraf nooit over uit. (Lacht) Of toch wel. Als bondscoach moet ik voor de start van het seizoen bij de KNWU een aantal doelstellingen formuleren. Een soort van jaarplan, zeg maar. Daar staat elke keer in dat ik met mijn renners vijf medailles wil halen op het wereldkampioenschap veldrijden. Maar veel stelt die voorspelling niet voor, hoor. Want dat stukje is elk jaar opnieuw copy-paste op dat formulier. Echt, dat houdt me niet bezig. Al weet ik ook dat dat medaille-aantal in België wél een dingetje is. Daar houden ze de medaillespiegel echt in de gaten. Dat wegen ze dan telkens af tegen het aantal medailles dat Nederland behaalt. Dat zijn zaken die mij dan weer niet bezighouden.
Angelo De Clercq: Vorig jaar, op het wereldkampioenschap in Liévin, behaalde België vier medailles. Op de twee voorbije EK’s kwamen we ook uit op hetzelfde aantal. Dus zou ik tevreden zijn als het in Hulst opnieuw die kant zou opgaan. Al besef ik goed genoeg dat dat niet eenvoudig zal zijn. Neem onze mannelijke renners. We hebben podiumkandidaten bij de junioren, de beloften én de eliterenners. Maar het kan net zo goed zijn dat er bijvoorbeeld bij de elite op zondag straks gewoon drie Nederlanders op het podium zullen staan. Om maar te zeggen: het wordt afwachten.
Het wereldkampioenschap is traditioneel het hoogtepunt van het veldritseizoen. Wat hebben de voorbije maanden jullie geleerd?
Gerben de Knegt: Dat het steeds moeilijker wordt om veldrijden te combineren met een carrière op de weg. Mathieu van der Poel en Tibor del Grosso hebben weinig aanpassingsproblemen gehad, maar zelfs bij Wout van Aert kon je merken dat hij moeite had met de switch tussen beide disciplines. Dat merk ik ook bij mijn beloftenrenners, bijvoorbeeld. Jongens als Mouris en Remijn komen crosstechnisch wat tekort, omdat ze veel op de weg zijn gaan rijden. De kans is reëel dat die in de toekomst dus nóg meer voor de weg zullen kiezen. Want als je naar de beste tien renners bij de elite kijkt, die wonnen allemaal dikke prijzen in de jeugdcategorieën in het veldrijden. Het is allemaal zó specifiek geworden…
Angelo De Clercq: Dat het een relatief droge winter was, met behoorlijk veel snelle crossen. Veldritten met vaak een erg spannend verloop. (Lacht) Als Mathieu van der Poel niet aan de start verscheen, tenminste. Als ik naar de Belgische renners kijk – over alle categorieën heen – dan zag ik toch een bepaalde nivellering. Geen uitgesproken topfavorieten, vaak wisselende kansen, geen duidelijke hiërarchie. Dat zet zich zelfs ook door op internationaal vlak. Vorig jaar kon je bijvoorbeeld nog probleemloos voorspellen dat Tibor del Grosso en Zoë Backstedt wereldkampioen bij de beloften zouden worden. Dat is nu niet langer het geval. Alleen bij de junioren vrouwen en de elite mannen is er nog een uitgesproken topfavoriet op de wereldtitel.
Er staan straks zes individuele wereldtitels op het spel in Hulst. Hoe groot is de kans op een ‘dark horse’, iemand die verrassend uit de hoek kan komen?
Gerben de Knegt: Ik acht de kans klein dat er iemand waarvan we nog nooit gehoord hebben een medaille pakt. Maar als ik dan toch een naam moet noemen die veel mensen een beetje uit het oog verloren zijn: hou Jop van den Biggelaar maar in de gaten bij de junioren. Jop miste een flink stuk van het seizoen omdat hij in de aanloop naar de Wereldbeker in Tabor een hersenschudding opliep, maar hij won recent de Zilvermeercross in Mol en hij kwam ook in de Wereldbekerwedstrijd van Zonhoven aardig uit de verf.
Angelo De Clercq: Het zou best kunnen dat de Italianen en de Fransen vooral in de jeugdcategorieën goed uit de verf zullen komen. Als ik naar het deelnemersveld van de crossen in de kerstperiode keek, die renners zijn allemaal gewoon in België gebleven. Daar zijn ze volgens mij niet slechter van geworden. In eigen huis kijk ik uit naar Fleur Moors. Die deed het lang niet onaardig in de Wereldbekerwedstrijden die ze met de eliterenners betwistte. Maar dat viel een beetje tussen de plooien, omdat ze telkens vanop pakweg de zevende startrij moest vertrekken. In dat aparte WK voor vrouwen beloften zal ze eindelijk vanop de eerste rij kunnen starten, en kan ze echt in duel gaan met Célia Géry en Leonie Bentveld, bijvoorbeeld. Ik ben benieuwd hoe dat zal uitdraaien.
In Hulst zal de dienst allicht weer worden uitgemaakt door de renners van de ‘traditionele veldritlanden’. Blijft het wachten op een olympische status om die vicieuze cirkel te doorbreken?
Gerben de Knegt: Ja en nee. Er zal meer interesse komen omdat de olympische comités van meerdere landen nu ook het veldrijden zullen ontdekken én subsidiëren. Op die manier zie ik bijvoorbeeld Duitsland, Zwitserland of Groot-Brittannië nog wel terugkeren naar de cross. Maar tegelijk zal dit een klein wereldje blijven, volgens mij. Tien renners die goed aan de kost zullen komen, een onderlaag van een renner of vijftien die er ook van kunnen leven, en de rest zal nog altijd ‘vulsel’ van het deelnemersveld zijn. Als knecht kan je in het wegwielrennen probleemloos je brood verdienen, maar veldrijden heeft geen nood aan knechten. En renners vanuit andere sporttakken die gaan ‘dubbelen’, omdat het veldrijden hen dan ook olympische medaillekansen zou geven: ik moet het nog zien gebeuren. Geloof me vrij: wat Wout van Aert, Mathieu van der Poel en Thomas Pidcock de afgelopen jaren gedaan hebben is écht niet vanzelfsprekend. Weinig die het hen zullen nadoen.
Angelo De Clercq: Ik denk dat de internationalisering van de sport een ‘boost’ zou krijgen als veldrijden een olympische status zou krijgen. (Lacht) Al zal dat tegelijk waarschijnlijk betekenen dat wij als Belgen ons dubbel moeten gaan plooien. Wat ik in eerste instantie zie veranderen als het zover zou komen? Dat beloftevolle buitenlandse jeugdrenners door hun team misschien niet langer verplicht zullen worden om te stoppen met crossen als ze overstappen naar een wegploeg. Léo Bisiaux is een mooi voorbeeld. Wereldkampioen geworden in Hoogerheide, en nu aan zijn laatste winter bezig omdat zijn merkenteam hem verplicht alles op de weg te gaan zetten. Op die manier heeft het crossen al veel talent verloren. En misschien wordt de tijd dan ook rijp voor meer niet-Belgische teams die puur bezig zijn met veldrijden. Want die spoeling is echt wel akelig dun geworden.

